Het feit over slotenmaker Watermaal-Bosvoorde dat niemand voorstelt

Op een noordoosthoek met een Binnenwatersloot had chirur­gijn mr. Jacob Pyeterssz bestaan thuis en winkel. Je verbeeld mij, het zijn leerjongens het daar niet met werk zal beschikken over ontbroken, alang zou het doch louter zijn hebben in dit ‘barbieren’ over de boeren en buitenlui, die via een Waterslootse poort de stad binnenkwamen en zich reinheids- en beleefdheidshalve met die heelkundige chirurgische ingreep wensten te onderwerpen, vanwege zij zaken gingen verrichten of de markt bezoeken.

, schreef Bredero in 1614 in bestaan blijspel Moortje, misschien was dat verder op hem aangaande inzet. Thans wordt een ‘antieke const’, zowel hier zodra elders in ons Vaderland, via zijn voortbrengselen verder op dat gebied terug beroemd, aan een vreemdeling verkocht en prijsgegeven, dikwijls voor fabelachtige geldsommen weliswaar.

De meeste dier bedrijven geraken nu alsnog uitgeoefend, doch vele bestaan mettertijd, tegelijkertijd met dit verlies der takken over nijverheid, welke hunne hulp behoefden, allengs verdwenen en teniet gegaan.

Gedeeltelijk tot woonhuis ingericht, had mr. Philips Davijn er bestaan aardse tabernakel in opgeslagen. Wie deze was, mag je niet zeggen, doch absoluut ons deftig Heer, die daar tijdelijk verbleef en wegens zijne huishouding vier haardsteden behoefde.

Later zou het St. Lucasgilde zich een oude kapel betreffende welke instelling toe-eigenen. Tegenwoordig wordt welke plaats ingenomen via de gemeenteschool met juiste hoofd Petillon. [Momenteel staat hier wederom ons replica betreffende het antieke Gildehuis, het zeker feitelijk een verbouwde middeleeuwse kapel was.]

Die familienaam kan zijn in Delfland nog bekend, terwijl een tak met dat aanzienlijk geslacht, tengevolge een Reformatie met de stam gescheiden, in Zeeland tot op een huidige dag voortleeft.

) jaar geleden schreef van Bleyswijck in zijn Catalogisering aangaande Delft, met dit Groote ofwel Oude Bagijnhof sprekend, dat het had “een groote ruyme poort vanwege aen straet, hedendaegs teneinde redenen sonder deuren, en by duisternis soowel wanneer des daegs altijt ongesloten, dragende in haer voorhoof een antieke vervallen en mismaeckte Basreleve met witen Orduyn, zijnde ons St. Antonis tentatie of soo wat diergelijcks”.

Slechts 2 huisjes, dit één eigendom met de weduwe van Jan Heyndricxz. ‘Plochos’ (ploegos), dit overige aangaande ons goudsmid, werden in die steeg opgetekend; thans vindt men daar almaar één met de zuidzijde.

Zij schijnt, hetgeen men tegenwoordig noemt een ‘specialiste’ in die voorbereidende kunstbewerking te zijn geweest, waarvan een lenigheid betreffende het linnen­fabrikaat bijzonder afhankelijk was; immers komt in het ganse register geen tweede garenziedster voor, welke door de benaming van het werkzaamheid over andere dames is onderscheiden.  

Zij bestonden uit twee delen, ons bovendeel en ons onderstuk, hauts een chausses en bas een chausses. Momenteel noemen wij louter het laatste deel ons kous.

Bovendien kwam alsnog een vermindering aangaande de brouwnering, welke volgens een auteur sedert dit Klik hier jaar 1600 op grote schaal is gestart, blijkens een lijst die hij opsomt in bestaan degelijk werk, waaraan wij menige bijzonderheid te danken beschikken over, die het anders ook niet ter bekende zou bestaan gekomen.

Aan een zuidzijde van de gracht was oudtijds tevens gelegen dit Falie-Begijnhof, waarover Bleyswijck het een en ander mededeelt. Na een Reformatie werden het in woonhuisjes herschapen. Een met de bewoners daar was Jan ‘den honichman’. Hij dreef ons nering, die men thans, naar ik meen, in de stad ook niet verdere afzonderlijk meer bij een hand vat om er een zijn aangaande te maken.

Wellicht dat een bewoners uitmuntten in het bezigen over scheldwoorden, ons karaktertrek welke in heel wat steden over het vaderland aan de bewoners betreffende sommige buurten ofwel stegen werden toegeschreven. Nu bestaan welke onderscheiding hier en er nog slechts bij uitzondering. Ofwel op deze plaats met ons verbastering, bijvoorbeeld bij die betreffende ‘Donkersteeg’ in ‘Dronkensteeg’ gedacht dien geraken, durf je ook niet te beweren. Bleyswijck, welke heel wat op dergelijk ‘wangebruik’ pleegt te wijzen, zwijgt er hier in ieder geval over.  

In een 1e plaats worden in het haardstedenregister vermeld vier woningen, toebehorende juiste Weeshuis. In de tweede en derde daarvan woonden respectievelijk ‘een speldenmaecker’ en de ‘lijndraijer’ van het Weeshuis. Beide ondernemers stonden in verband met een toenmalige inrichting aangaande welke instelling, welke in de loop der eeuwen, enigszins wanneer alle menselijke zaken, met veranderlijke inzichten en aan de oppermachtige geest des tijds heeft moeten gehoorzamen.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *